De kalme, bijna mompelende zangstem van Clari Freeman-Taylor is een onverwachte factor in de gitaarmuziek van het Britse Mary In The Junkyard. Freeman-Taylor is als een nimf te midden van grauwende en pulserende bijdragen van gitaar en basgitaar, zoals te horen op debuutalbum Role Model Hermit. Haar stem hoeft niet per se gehoord te worden, ze zingt in de eerste plaats zichzelf toe, lijkt het.
Juist daardoor onderscheidt de groep zich van indie-gitaargroepen die resoluter de aandacht opeisen. Meer dan Wet Leg (met wie ze als voorprogramma tourden) en andere door vrouwen aangevoerde bands, vertrouwt Mary In The Junkyard op de kracht van intimiteit.
Prevelend, zuchtend, fluisterend, babbelend deelt Freeman-Taylor ons haar gevoelens en gedachten, en klinkt meesttijds lieftallig.
Maar het trio uit Londen heeft daarnaast genoeg humor en eigenzinnige esthetiek om behaagzucht te voorkomen. De drie leden, die elkaar ooit als tiener leerden kennen op een zomerkamp voor klassieke muziek, houden van een dwars soort composities. Opvallend daarbij is dat ze in hun nummers niet streven naar een hechte muzikale eenheid maar juist de instrumenten los van elkaar laten staan. Met slechts drie stuks – gitaar, bas, drums – leidt dat tot een kaal muziekbeeld, en dat is gewaagd.
Freeman-Taylor zelf levert voorzichtige akkoorden, alsof haar handen nog zoeken over de gitaarhals. Ondertussen speelt Saya Barbaglia een kronkelende melodie op haar basgitaar en tikt drummer David Addison losse ritmes op koebel en een overzichtelijk drumstel. Het nummer ‘Muscles’ klinkt open en leeg, met precies de juiste dosering van verlokkende koortjes en nonchalante drums; in het refrein horen we klaagzang met een mooi afgemeten hoeveelheid emotie. Mary In The Junkyard vindt per nummer de balans tussen drama en minimalisme. Het werkt en maakt dierbaar. Als luisteraar ben je geneigd voorover te buigen, als naar iemand die zacht praat en die je graag wilt verstaan.
De fagot is een instrument dat je – om de band De Dijk te parafraseren – pas mist als hij er niet is. Zijn wat knorrige toon vormt vooral onderdeel voor het fundament van de muziek. En soms mag de fagot even zijn stem verheffen: meezuchten in de prachtige treuraria ‘Scherza infida’ uit de Händel-opera Ariodante, of zelfs moederziel alleen beginnen aan Stravinsky’s beruchte ballet Le Sacre du Printemps. Dat laatste was een twijfelachtig voorrecht. Na die solo bij de première beende de Franse componist Camille Saint-Saëns woedend de zaal uit, omdat hij vond dat Stravinsky de fagot had verkracht. Het instrument zat zelfs zo in de verdrukking dat het Holland Festival elf jaar geleden de actie Red de fagot! organiseerde.
De muziekgeschiedenis kent weinig concerten voor fagot. Ja, Mozart schreef een mooie, en de virtuozen van vandaag inspireren moderne componisten. En toch duikt er dan plotseling die dekselse Antonio Vivaldi op met bijna veertig fagotconcerten. De man die sneller kon componeren dan God kon luisteren. Hoe? Wat? Waarom? Niemand die het weet.
Maar ze zijn er en vullen liefst zes cd’s in de Vivaldi Edition, het project dat al meer dan een kwarteeuw bezig is om het volledige werk van de Italiaan op te nemen en inmiddels zo’n tachtig albums telt. Het laatste deel verscheen vorige week. Fagottist in die bijna veertig concerten is de Italiaan Sergio Azzolini. Onder veel van zijn vakgenoten geldt hij als een wonder van de natuur. Zijn oud-leerling, Pieter Nuytten, noemde Azzolini eens „een zon waar je niet te dichtbij moet vliegen, want dan verbrand je”.
En op de Vivaldi-albums laat Azzolini horen waarom. Niets blijft er over van die reputatie van nukkigheid waaronder de fagot traditioneel gebukt gaat: hier wordt met grote warmte en intimiteit gezongen. Het doet je met nieuwe oren luisteren naar al die grote symfonieën waarin de fagot zo’n onmisbare stem is.
Er was een tijd dat Jack White het ook allemaal even niet meer wist en – moedig, maar tegen beter weten in – begon te experimenteren met beats, samples en elektronica. Alsof er ook maar iemand zou willen horen hoe Howlin’ Wolf en Screamin’ Jay Hawkins zouden hebben geklonken achter een synthesizer in plaats van jankend/brullend achter een gitaar.
Op zijn zevende album Frozen Charlotte lijkt die wispelturige tijd definitief voorbij en weet Mr. White weer met welke missie de Heilige Hemelse Headbanger hem 51 jaar geleden heeft opgezadeld. Namelijk: om met zijn basale blues en elementaire rock-‘n-roll de bliksemse boel aan gort te spelen en daarbij zijn gitaar dermate hard te laten vlammen, knarsen en knetteren dat alle luidsprekers ervan gaan roken.
Met slechts twee akkoorden en een grote waffel maakt White in de opener ‘G.O.D. and the Broken Ribs’ meteen gehakt van Diens Schepping: het nummer begint in het paradijs en stopt bij het einde der tijden. Hebben we dat ook maar gehad.
Op de rest van de plaat verhakselt hij zo’n beetje alle iconische gitaarriffs tot hapklare garagerockbrokken, van de AC/DC-hymne in ‘You’ll Never Fix Me’ tot de echo van Golden Earring’s ‘Radar Love’ (of zo je wilt: ‘Bullet in the Head’ van Rage Against the Machine) in ‘Nobody Knows’. Alles mag, zolang het maar simpel blijft en ongenadig scheurt.
Met zo veel bravoure en brandbaarheid los je moeiteloos alle problemen op, betoogt White in ‘All Alone Again’. Een speld in een hooiberg zoeken? „Pretty easy”, weet hij: „Just burn down the haystack and then you’ll find what you need.”
In die brute eenvoud ligt zijn kracht. Om te begrijpen waarom dat zo goed werkt, hoef je alleen maar naar de galmende WK-tribunes (en vele andere stadions) te luisteren waar voorgoed The White Stripes’ mokerhit ‘Seven Nation Army’ zal blijven weerklinken.
Source: NRC — This article was automatically imported from the source. Read full article at original source →