Skip to content

Hebzucht, collaboratie, kunstdetectives en een dodelijk ongeluk onder verdachte omstandigheden: waarom duurt de strijd om de Koenigs-collectie al zo lang?

World
Hebzucht, collaboratie, kunstdetectives en een dodelijk ongeluk onder verdachte omstandigheden: waarom duurt de strijd om de Koenigs-collectie al zo lang?

Oktober 1939. Aan een tafel in Rotterdam zitten mannen met geld en macht. Met namen – Van der Vorm, Van Beuningen – die synoniem zijn aan de culturele mogelijkheden in de stad. Het belangrijkste agendapunt: de zorgen over de Koenigs-collectie. Het kan toch niet zo zijn dat het museum, dat de aanwezigen hebben helpen vormgeven, deze uitzonderlijke collectie kwijtraakt?

Het gaat niet alleen om schilderijen van bijvoorbeeld Jheronimus Bosch en Peter Paul Rubens, vertelt de museumdirecteur. „Er is ook een unieke en prachtige collectie tekeningen van oude meesters.” Wat gaat er met die collectie gebeuren, vraagt een van de aanwezigen, wie gaat de miljoenen ophoesten als het erop aankomt? Volgens Van der Vorm is er interesse vanuit het buitenland. Kan de Nederlandse overheid niet bijspringen? Weer een ander mijmert over de vele tentoonstellingen die dankzij de collectie zijn georganiseerd.

Allen zijn het erover eens: er moet iets gebeuren en snel. De Koenigs-collectie mag niet uit het museum verdwijnen.

Grote bedragen en verlies zijn onlosmakelijk met de Koenigs-collectie verbonden. Nu, maar ook al in het najaar van 1939, tijdens deze eerste vergadering van Stichting Museum Boymans (toen nog met deze spelling), decennia voordat de nazaten van de Rotterdamse havenbaron Willem van der Vorm met Stichting Droom en Daad tientallen miljoenen over de stad zouden uitstrooien, voordat het museum ook de naam van Daniël George van Beuningen zou gaan dragen.

De Koenigs-collectie is een van de meest waardevolle kunstverzamelingen van Nederland. Zij omvat zo’n 2.600 tekeningen en tientallen schilderijen, van beroemde kunstenaars als Jheronimus Bosch, Vincent van Gogh, Rembrandt van Rijn en Leonardo da Vinci. De artistieke en culturele waarde is onschatbaar. De economische waarde kan volgens experts bij verkoop oplopen tot een miljard euro.

Inmiddels is de Koenigs-collectie ook een van de meest geclaimde kunstverzamelingen. Decennialang probeerde een deel van de erven van naamgever Franz Koenigs de collectie in bezit te krijgen, en recent ook een bank: Lisser & Rosenkranz. Museum Boijmans Van Beuningen, dat meer dan 2.100 werken uit de collectie bezit, probeert deze claim van Lisser & Rosenkranz al enkele jaren af te wenden, onthulde NRC eind mei.

De houding van het museum wekt bij experts verbazing, maar ook begrip. In Nederland geldt een ruimhartig restitutiebeleid – regels voor het teruggeven van kunstwerken of voorwerpen die in de Tweede Wereldoorlog zijn onteigend door de nazi’s. De Restitutiecommissie is in het leven geroepen om eigendomsclaims van objecten of kunstwerken te beoordelen en hierover een bindend advies uit te brengen. In de regel werken musea altijd mee. Maar naar de Koenings-collectie is al jarenlang onderzoek gedaan. Moet een museum er dan ook aan meewerken?’

De huidige strijd om de Koenigs-collectie is niet los te zien van het verleden. Koenigs, Museum Boijmans Van Beuningen en de bank, Lisser & Rosenkranz, verkeren al bijna honderd jaar in een driehoeksverhouding met de ingrediënten van een roman: vriendschap, oorlog, collaboratie, hebzucht.

NRC sprak met twintig betrokkenen en experts over de collectie-Koenigs en las tientallen archiefstukken, brieven, mails en boeken. Waarom is deze strijd na honderd jaar nog niet gestreden?

Franz Wilhelm Koenigs wordt in 1881 geboren in het Duitse Kierberg als telg uit een welvarende familie van bankiers en textielfabrikanten. Na de Eerste Wereldoorlog richt hij in Amsterdam de Rhodius-Koenigs’ Handel Maatschappij op en vestigt Koenigs zich met vrouw en kinderen in een herenhuis in Haarlem. Rond deze tijd begint ook zijn verzamelwoede. In een paar jaar tijd koopt hij duizenden kunstwerken, vooral tekeningen.

De verzamelaar Franz Wilhelm Koenigs en zijn echtgenote, Berlijn circa 1915.

De zaken gaan zó voorspoedig, en hij koopt zó veel kunst, dat het grote Haarlemse huis al na vijf jaar moet worden uitgebouwd. Maar dan storten in 1929 de aandelenkoersen in. Ook Rhodius-Koenigs’ Handel Maatschappij wankelt, maar Koenigs’ verzamelwoede blijkt moeilijk te bedwingen, net als zijn schuld. In 1931 leent Koenigs daarom 1,5 miljoen gulden bij de bank Lisser & Rosenkranz, omgerekend nu zo’n 17,5 miljoen euro.

Lisser & Rosenkranz is in 1928 opgericht in Amsterdam, Siegfried Kramarsky en Salomon Flörsheim, beiden Joods, zijn de grootste aandeelhouders. In de jaren 20 zijn ze uit Duitsland overgekomen. Koenigs’ kunstcollectie dient als onderpand voor de lening en blijft aanvankelijk in het uitgebouwde huis in Haarlem.

Ondertussen is ook Dirk Hannema, directeur van het toenmalige Museum Boymans, op het toneel verschenen. Hij kent Franz Koenigs, die steunt het museum soms financieel bij aankopen. Kan Koenigs’ prachtige collectie niet in het museum worden ondergebracht? Dat gebeurt in 1935, via een bruikleenovereenkomst. De verzameling wordt verzekerd tegen brand voor een bedrag van 2,5 miljoen gulden. In een brief aan de gemeente Rotterdam noemt Hannema echter een andere verzekeringswaarde: 3,5 miljoen gulden. Misschien een onschuldige typefout, maar een die later nog belangrijk zal blijken.

Bankiers Kramarsky en Flörsheim beseffen dat ze gevaar lopen door het oprukkende nationaalsocialisme. Begin april 1940 gaat de bank daarom in liquidatie: de activiteiten worden gestaakt, leningen verkocht of elders in beheer gegeven, de opbrengst verdeeld onder de aandeelhouders. Met de opbrengsten zal Kramarsky een nieuw leven in de Verenigde Staten opbouwen. Flörsheim zal voorlopig in Nederland blijven om de liquidatie van de bank af te handelen. Kunsthandelaar Jacques Goudstikker krijgt in augustus 1939 de opdracht om een koper voor de collectie te vinden. Die komt al snel uit bij de Rotterdamse havenbaron Daniël George van Beuningen, een weldoener van museum Boymans én een van zijn belangrijkste klanten.

Directeur Dirk Hannema van het Museum Boymans ruikt kansen om de bijzondere collectie via Van Beuningen voor het museum te kopen voor een gunstige prijs. Hij mengt zich actief in de onderhandelingen. Hannema goochelt lustig met bedragen, zo wordt de vraagprijs voor de collectie aan Van Beuningen gepresenteerd als een koopje. In een brief van 21 maart 1940 schrijft hij aan de havenbaron dat de collectie voor 4,5 miljoen gulden is verzekerd, wederom een ander, hoog verzekeringsbedrag. Meer dan het dubbele van de 2,2 miljoen gulden die hij in de brief als vraagprijs voor de schilderijen en tekeningen noemt. Ook lijkt hij voor te sorteren op een latere verkoop, waarbij hij aangeeft dat hij bereid is nog meer te goochelen: „Mijn taxatiewaarde kan laag genoemd worden”, schrijft Hannema. „Bij eventueelen verkoop van een gedeelte der collectie zou ik daarom een andere maatstaf willen aanleggen.”

Koenigs kan zijn schuld bij de bank – inmiddels 1,8 miljoen gulden – niet afbetalen. Hij is genoodzaakt, schrijft hij het museum, om de werken die hij in bruikleen gaf „in vollen en vrijen eigendom” over te doen aan de bank. De bedoeling van de bank is niet om winst op de collectie te maken, zo schrijft Flörsheim aan Koenigs op 2 april. Mocht de verkoopprijs hoger uitvallen dan de schuld, dan zou de overwaarde aan Koenigs toekomen.

Een paar dagen later doet Van Beuningen de bank een bod: 1 miljoen gulden. Lisser & Rosenkranz wijst het af, maar de druk op de twee Joodse aandeelhouders neemt toe naarmate de Jodenvervolging duidelijker vormen aanneemt – en dat lijken Van Beuningen en Hannema zich ook goed te realiseren.

Op 9 april 1940 laat Van Beuningen aan de bank weten dat het bod van 1 miljoen aan het eind van de dag vervalt, en dat er naast tekeningen nu ook twaalf schilderijen onder de deal vallen: vier van Bosch en acht van Rubens. Die toevoeging is een idee van Hannema, die de overeenkomst tegenover de bank „meer dan goed” noemt, „in de gegeven omstandigheden”.

Aan het einde van de dag gaat grootaandeelhouder Flörsheim akkoord. Bij familieleden elders in Europa hebben hij en Kramarsky gezien hoe zij hun bezittingen en bedrijven aan de nazi’s zijn verloren. De 35 schilderijen die buiten de verkoop vallen, verhuizen naar de beroemde kunsthandel van Jacques Goudstikker om daar separaat verkocht te worden.

Van Beuningen, de nieuwe eigenaar van de Koenigs-collectie, vraagt zijn schoonzoon Lucas Peterich te onderhandelen met Dr. Hans Posse, die namens Adolf Hitler kunst koopt voor een nog op te richten Führermuseum. Ook Van Beuningen zelf onderhoudt warme contacten met de nazi’s; kort na de Duitse bezetting wordt hij door Anton Mussert benaderd voor de nieuwe regering onder toezicht van Hitler. Hier gaat hij niet op in, maar hij maakt wel boottochtjes door de Rotterdamse haven met zijn vriend, Rijkscommissaris SS-Obergruppenführer Arthur Seyss-Inquart.

Op 16 mei 1940, zes dagen na de Duitse inval, overlijdt kunsthandelaar Jacques Goudstikker in het vrachtruim van een schip waarop hij naar Engeland probeert te vluchten. In juni zijn Koenigs en Flörsheim nauw betrokken bij de verkoop van de resterende 31 schilderijen om de schuld af te lossen. De Duitse opvolger van Kunsthandel J. Goudstikker koopt de werken en een groot deel hiervan komt bij Hitlers opperbevelhebber Hermann Göring terecht.

Portretstudie van Michelangelo door Fra Bartolommeo (1514-1517). Collectie Museum Boijmans Van Beuningen, uit de Koenigs-collectie.

Jheronimus Bosch, ‘Spinster en oude vrouw’, ca. 1470-1516. Collectie Museum Boijmans Van Beuningen, uit de Koenigs-collectie.

Schoonzoon Peterich slaat aan het onderhandelen met de nazi’s. Volgens hem heeft Koenigs 5,5 miljoen uitgegeven aan de collectie. Samen met Posse bezoekt hij Museum Boymans, waar de werken zich bevinden. Op 4 december 1940 is de deal rond: de nazi’s betalen 1,4 miljoen gulden voor 528 tekeningen. Slechts een klein deel van een collectie waar Van Beuningen zelf een miljoen voor had neergelegd. In een paar maanden heeft de havenbaron 400.000 gulden winst op zijn investering. De volgende dag schenkt hij de niet-verkochte 2.100 werken aan het museum. Hannema is daarmee directeur geworden van een instituut dat zich kan meten met grote Europese musea met indrukwekkende collecties, in Londen of Parijs.

Een paar maanden later, in mei 1941, staat Franz Koenigs op een perron in Keulen, als er een rijdende trein langskomt. Plots valt hij van het perron, pal naast de rijdende trein. Hij verbrijzelt zijn rug en overlijdt. Was het zelfmoord? Of wilden de nazi’s Koenigs uit de weg ruimen? Zijn dood leidt tot veel speculatie, maar geen van deze scenario’s is bewezen.

De bankiers van Lisser & Rosenkranz overleven de oorlog. Siegfried Kramarsky weet door zijn vlucht naar de Verenigde Staten aan de jodenvervolging te ontkomen, Salomon Flörsheim wordt naar Theresienstadt gedeporteerd. Als het concentratiekamp op 8 mei 1945 wordt bevrijd, leeft hij nog. Diezelfde dag wordt museumdirecteur Dirk Hannema opgepakt. Hij verweert zich door te stellen dat hij waardevolle kunstwerken voor Nederland wist te behouden. Na acht maanden strafkamp in Hoek van Holland wordt Hannema veroordeeld voor collaboratie zonder verdere straf. Tot zijn dood in 1984 geeft hij bevlogen rondleidingen door het kasteeltje in Heino waar hij woont.

Van Beuningen blijft buiten schot. Vanaf 1946 mag hij, als lid van de Stichting Nationaal Kunstbezit, zelfs meebeslissen over de verdeling van door nazi’s uit Nederland geroofde kunst. In die rol weet hij weer handig deals te sluiten. Zo weet hij bijvoorbeeld negentien uit nazi-Duitsland teruggekomen schilderijen (die niet tot de Koenigs-collectie behoorden) van de Nederlandse staat terug te kopen voor zo’n 300.000 gulden. Zelf had hij deze werken voor 1,6 miljoen gulden aan de nazi’s verkocht. Van Beuningen overlijdt in 1955. Drie jaar later verkopen zijn erven diens kunstverzameling voor 18 miljoen gulden aan de gemeente Rotterdam. Bij deze koop wordt ook afgesproken dat ‘Van Beuningen’ wordt toegevoegd aan de naam van het museum. In 2004 publiceert Harry van Wijnen de biografie D.G. Van Beuningen 1877-1955. Grootvorst aan de Maas. Aanvankelijk had de schrijver een andere titel in gedachten: G. Van Beuningen: Roofridder aan de Maas.

De schilderijen en tekeningen uit de Koenigs-collectie zijn nooit meer bij elkaar gekomen. Een groot deel van de voor het Führermuseum aangekochte tekeningen kwam als oorlogsbuit in de Sovjet-Unie terecht. 27 werken werden uit Duitsland teruggehaald en in de ‘Nederlands Kunstbezit (NK)-collectie’ geplaatst. Deze collectie bestaat uit zo’n 3.700 objecten die gerecupereerd werden na de oorlog en variëren van roofkunst tot gebruiksvoorwerpen. Een aantal werken bevindt zich in Londen en de Verenigde Staten.

Paul Cézanne. ‘Daken van l’Estaque’, 1876-1882. Collectie Boijmans Van Beuningen, afkomstig uit de Koenigs-collectie.

De storm rond de Koenigs-collectie zou nooit helemaal luwen. In 1987 krijgt Nederland 33 tekeningen terug van de DDR, uit de verzameling die door de Sovjets in Duitsland was achtergelaten. Via Oekraïne komen er nog eens 139 werken terug. Al deze werken vallen onder de NK-collectie van de Nederlandse staat, en worden beheerd door Museum Boijmans Van Beuningen. Zo ook de 177 van de 528 tekeningen die Van Beuningen aan de nazi’s verkocht en die na de oorlog werden gerecupereerd. De rest bevindt zich nog altijd in Rusland.

Vanaf 1997 vlamt de strijd om de Koenigs-collectie opnieuw op, onder aanvoering van een kleindochter van Franz Koenigs. Christine Koenigs claimt dat haar grootvader de collectie vanwege de dreigende oorlog verkocht aan de bank. Ze procedeert, tevergeefs, tot aan de Raad van State. Ook drie claims bij de Restitutiecommissie worden afgewezen. Maar Christine Koenigs heeft het er nooit bij laten zitten. Ze houdt alle ontwikkelingen rondom de collectie nauwgezet bij op een website en door haar decennialange verbetenheid is haar verstandhouding met Museum Boijmans Van Beuningen verstoord. Zo vloeit in 2019 uit haar pen een opiniestuk in NRC met de titel Boijmans maakt goede sier met andermans Rubens.

Ondanks dat ze keer op keer afgewezen wordt, zet Christine Koenigs haar strijd voort. Ze is pas tevreden als Museum Boijmans Van Beuningen een speciale vleugel inricht voor de kunst van haar grootvader én daarin een wetenschappelijk centrum voor diens collectie tekeningen opzet.

Haar vechtlust zorgt voor irritatie. In een NRC-artikel uit 2016 noemt Sjarel Ex, dan directeur van het museum, de claims van Christine Koenigs „één van die terugkerende dingen in het leven van een museumdirecteur”. Ook anderen storen zich aan haar houding. „Mensen worden moe bij het horen van de naam Koenigs, omdat ze meteen moeten denken aan de vele zaken die Christine Koenigs voerde – en verloor”, zegt historicus Jan Bank, die begin deze eeuw als lid van de Restitutiecommissie haar eerste claim beoordeelde.

Hoewel de afgelopen decennia meerdere collecties aan erfgenamen zijn terugegeven vond de Restitutiecommissie het soms belangrijker dat kunst voor een museumpubliek te bewonderen was, dan dat die naar de rechtmatige erfgenaam terugging. Dat veranderde na het advies Streven naar rechtvaardigheid van de commissie Kohnstamm, in 2020, waarin gepleit wordt voor een invoelender, minder formalistisch restitutiebeleid. Tegelijkertijd zijn claims steeds complexer geworden. Een ruimhartiger beleid geeft niet alleen erfgenamen hoop, maar ook advocaten en kunstdetectives, die opereren op basis van no cure no pay.

Waar de kansen voor Christine Koenigs – in elk geval in Nederland – verkeken lijken, ziet een andere partij juist mogelijkheden. Rond 2020, wanneer precies is onduidelijk, slaan vier mannen, woonachtig in evenzoveel landen, de handen ineen: Eyal Dolev, een onafhankelijke herkomstonderzoeker uit Israël, Lothar Fremy, een Duitse advocaat gespecialiseerd in restitutiezaken, Alfred Fass, een Nederlandse zakenman die zelf ooit een restitutiezaak won en nu anderen hierin adviseert, en Clifford Schorer, een Amerikaanse kunstdetective en mede-eigenaar van de Londense Agnews Gallery.

Deze groep stelt dat de bank de rechtmatige eigenaar is. Door de dreigende Duitse inval was Lisser & Rosenkranz met haar overwegend Joodse aandeelhouders destijds tot liquidatie genoodzaakt. Franz Koenigs, zelf niet Joods, was op de achtergrond weliswaar betrokken bij de deal met Van Beuningen, maar de bank was destijds rechtmatig eigenaar van de collectie. Van Beuningen en Hannema zouden hebben geprofiteerd van de druk waaronder de Joodse aandeelhouders stonden én zetten Lisser & Rosenkranz onder druk om een prijs ver onder de marktwaarde te aanvaarden, terwijl ze de prijs tegenover de nazi’s juist oppompten.

De groep gaat voortvarend te werk. Rond hen vormt zich een groep van onderzoekers en adviseurs. Ze sporen zo’n twintig nazaten van de aandeelhouders van de bank op. Ze wonen in de Verenigde Staten, Zwitserland en Israël. Siegfried Kramarsky en Salomon Flörsheim maakten na de oorlog geen werk van de kunstverzameling, maar een achterkleinzoon van Flörsheim, Gal Flörsheim, is nu wel bij de claims betrokken.

Hun strategie beslaat twee routes: zowel de formele, via restitutiecommissies in verschillende landen, als de informele, via onderhandelingen met eigenaren en musea buiten het zicht van het publiek. Als ze de kunst terugkrijgen wordt deze verkocht en worden de opbrengsten onder de erfgenamen verdeeld. Dolev, Fremy, Fass en Schorer krijgen bij succes een percentage.

Op 9 september 2021 wordt er vanuit de groep een eerste brief naar het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gestuurd, over 26 schilderijen uit de Koenigs-collectie die onder de NK-collectie vallen, met het verzoek hun claim te laten beoordelen door de Restitutiecommissie. Dat gebeurt.

Dit onderzoek loopt nog als ze begin 2022 aan Museum Boijmans Van Beuningen laten weten dat ze een claim willen leggen op de Koenigs-collectie. Het museum stelt zich afhoudend op: erfgenamen van aandeelhouders kunnen geen claim op een kunstcollectie doen, omdat aandeelhouders alleen aandelen in eigendom hebben, geen kunstwerken – die waren bezit van de bank. Dat standpunt klinkt ook door in het negatieve advies dat de Restitutiecommissie op 13 juni van dat jaar uitbrengt over de werken die onder de NK-collectie vallen. Kortweg: er is niet voldaan aan het eigendomvereiste.

Daarop stapt de groep in 2023 naar de rechter, om de Lisser & Rosenkranz-bank nieuw leven in te blazen. Gal Flörsheim en Eyal Dolhev worden aangesteld als de nieuwe vereffenaars. Ze starten verschillende claims in binnen-en buitenland en gaan op zoek naar specifieke kunstwerken uit de collectie. Dat jaar melden ze zich ook weer bij de Restitutiecommissie, aan de eigendomvereiste wordt nu wél voldaan.

En dus start het NIOD, dat feitenonderzoek verricht bij restitutieverzoeken, een herkomstonderzoek naar de Koenigs-werken uit de NK-collectie. Daarvan heeft het museum er 205 in bruikleen, waarover het informatie verschaft voor het onderzoek. Maar het leeuwendeel van de collectie, ruim 2.100 tekeningen en acht schilderijen, is eigendom van Museum Boijmans Van Beuningen. Al die werken blijven daarom buiten het NIOD-onderzoek.

Voor kunst in bezit van een museum is de route anders. Dan benaderen claimanten een museum direct, of andersom, waarna ze samen naar de Restitutiecommissie stappen. Museum Boijmans Van Beuningen heeft de reputatie zeer meewerkend te zijn, maar in déze zaak werkt het museum niet mee aan een gang naar de Restitutiecommissie. Dat wekt verbazing.

„Het kan toch niet zo zijn dat zaken die aan de minimale ontvankelijkheidseisen voldoen, de ene keer wel en de andere keer niet aan de Restitutiecommissie worden voorgelegd”, zegt Evelien Campfens, die als algemeen secretaris van de Restitutiecommissie de eerste claim van Christine Koenigs behandelde en nu Lisser & Rosenkranz bijstaat namens adviesbureau PARA.

„Principieel anders”, noemt Campfens de claim van van de bank. Bij de eerste claim van Christine Koenigs constateerde de Restitutiecommissie dat er sprake was van „reële en acute” dreiging voor de Joodse aandeelhouders, dat gold niet voor de niet-Joodse Franz Koenigs. Deze conclusie kan in het voordeel van de bank uitpakken, zeker nu moreel-ethische gronden een steeds grotere rol spelen in het Restitutiebeleid.

Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam.

De bank vraagt, in een felle briefwisseling die al jaren duurt, herhaaldelijk om een gesprek én om onafhankelijk onderzoek door de Restitutiecommissie, maar Boijmans Van Beuningen weigert. Het museum wijst erop dat de claims van de erven-Koenigs allen „ongegrond zijn gebleken”. In een brief van 28 augustus 2024 erkent het museum dat de Joodse aandeelhouders zich gedwongen voelden om de bank te liquideren, maar „dit betekent echter niet dat de bank enig nadeel heeft ondervonden in verband met haar korte bezit van de kunstobjecten”.

Sommige kenners hebben begrip voor de opstelling van het museum, zoals Rudi Ekkart, voormalig directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie. De godfather van het huidige restitutiebeleid wordt hij wel genoemd. „Ik vind het geen schande dat ze niet ingaan op het verzoek om overleg over deze claim”, aldus Ekkart. „Waarom een nieuwe procedure aanspannen als de maatgevende procedure over de claim op het NK-deel nog niet is afgerond?”

Rechtsfilosoof Wouter Veraart, als hoogleraar verbonden aan de Afdeling rechtstheorie en rechtsgeschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, is het met Ekkart eens. De claim is juridisch zwak, vindt hij: „Of het verstandig is om niet mee te werken aan een onafhankelijk onderzoek bij de Restitutiecommissie kun je je afvragen, maar kennelijk beschouwt het museum dit als een kansloze procedure.”

Tabitha Oost, universitair docent Staats- en Bestuursrecht die promoveerde op het restitutiebeleid inzake naziroofkunst, schat de kans van de claim ook laag in. Maar, zo zegt ze, „openheid van zaken geven is altijd beter, waarom niet gewoon meewerken aan een onafhankelijk onderzoek?” Deze kwestie legt de kwetsbaarheden van het restitutiebeleid bloot, zegt ze. Wordt het niet tijd om dat beleid onder de loep te nemen? „Met grote, complexe zaken zoals die van de bank nu is nooit rekening gehouden toen het werd opgesteld”, zegt Oost.

Lisser & Rosenkranz zoekt ook meermaals contact met de gemeente Rotterdam, die de bank blijft terugverwijzen naar het museum. Met de verzelfstandiging van Boijmans van Beuningen in 2006 heeft de gemeente ook de zeggenschap over de collectie overgedragen aan het museum, en mag het museum namens de gemeente handelen „in dergelijke kwesties”, laat een woordvoerder weten.

De alternatieve route, het spoor van het ‘minnelijke’ gesprek buiten restitutiecommissies om, levert meer succes op. De kunstdetective van de groep, Clifford Schorer, ontdekte dat een olieverfschilderij van Jacob Jordaens, afkomstig uit de Koenigs-collectie, deel uitmaakte van een privécollectie. Hoofdstudie van een jonge vrouw, via Hermann Göring in Duitsland terechtgekomen, belandde na de oorlog in de privéverzameling van een Amerikaan. Schorer zocht de man thuis op, maar die wilde van teruggave of een schikking niets weten. Zijn dochter wél, na diens dood. Het werk wordt in 2024 bij Sotheby’s geveild en de opbrengst, 354.410 euro, verdeeld tussen de verkoper en de nazaten van de aandeelhouders van de bank.

De formele route vlot in het buitenland ook niet. De Britse evenknie van de Restitutiecommissie oordeelde, ook in 2024, dat drie schilderijen van Rubens uit de Koenigs-collectie in de Londense Courtauld Gallery kunnen blijven.

In april van dit jaar leidt het informele pad wel weer tot een gewenste uitkomst: het Amerikaanse Harvard Fogg Museum geeft de aan Rembrandt toegeschreven tekening Portret van een man terug aan de bank. In een persbericht wordt gesproken over een „vriendelijke overeenkomst”. Pijnlijk voor Christine Koenigs, die deze schets ook probeerde terug te krijgen, maar nooit reactie kreeg van het Amerikaanse museum.

Eind 2025 is het geduld van Museum Boijmans van Beuningen op. De communicatie met de groep die de bank vertegenwoordigt gaat enkel nog via hun advocaat. De bank blijft aandringen op een onafhankelijk oordeel van de Restitutiecommissie. Het museum blijft erbij te willen wachten op het advies van die commissie over het NK-deel van de collectie. Er ligt inmiddels een voorlopige versie van het herkomstonderzoek bij de Restitutiecommissie, nu volgen de hoorzittingen. Een advies zou dit jaar nog kunnen komen. Het is nog maar de vraag of de strijd om de Koenigs-collectie daarmee gestreden is.


Source: NRC — This article was automatically imported from the source. Read full article at original source →

NR
Originally published by NRC nrc.nl
Visit original article

admin

Leave a Comment