Skip to content

Yann Martel schreef een roman over een belabberd huwelijksleven

World
Yann Martel schreef een roman over een belabberd huwelijksleven

Het ligt voor de hand om Zoon van niemand, de nieuwe roman van Yann Martel (u kent hem waarschijnlijk van zijn fenomenale succes Life of Pi uit 2001), te vergelijken met Vladimir Nabokovs Pale Fire (1962). Beide boeken bestaan uit een lang gedicht met bijbehorend wetenschappelijk commentaar, waarbij de commentatoren steeds meer in beslag genomen worden door hun werk en het, in de noten, gaandeweg vaker over zichzelf hebben dan over het gedicht dat ze aan het annoteren zijn.

Maar er zijn ook een paar belangrijke verschillen. Nabokovs roman is een virtuoos, fonkelend taalvuurwerk dat zijn weerga niet kent; zijn mad scientist Kinbote een van de grote humoristische antihelden van de twintigste-eeuwse literatuur. Pale Fire zit vol intertekstuele puzzels, absurdistische associaties, meertalige grappen, sprankelende woordspelingen – het is, denk ik, een van de meest knappe, vermakelijke en originele boeken die ik ooit heb gelezen.

Martels hoofdpersoon is een classicus, Harlow Donne, promovendus aan een Canadese universiteit. „Niet van Princeton, Harvard of Yale”, zoals een overdreven snobistische professor aan Oxford het samenvat, „maar van de Universiteit van Onuitspreekbaar.” Ha ha.

Donne is gespecialiseerd in de werken van Homerus en, zo leren we uit de voetnoten, hij heeft een vrouw, Gail, en een dochtertje, Helen (uiteraard). Als hij een prestigieuze beurs ontvangt om een jaar onderzoek te doen naar de Oxyrhynchus Papyri in het Ashmolean Museum van de Faculteit Klassieke talen in Oxford vertrekt hij, zonder Gail en Helen, naar Engeland.

Daar doet hij op zijn allereerste dag, „nog suf van de jetlag”, al het soort ontdekking waar zelfs de meest doorgewinterde wetenschappers doorgaans alleen maar van kunnen dromen: hij stuit op een verloren gegaan epos over de Trojaanse oorlog, de Psoas (en als u bij het lezen van deze naam wat wordt afgeleid door gedachtes aan dijspieren, weet dan dat u niet de enige bent). Anders dan de Ilias gaat de Psoas niet over koningen, prinsen en adellijke helden; hier lezen we het verslag van de Trojaanse oorlog vanuit een gewone Griek, Psoas van Medea, de zoon van een eenvoudige geitenhoeder, een pion op het schaakbord van Achilles en Hector.

Donne puzzelt met ostraka, beschreven scherven Oudgrieks aardewerk, en een hoop fantasie (het wordt nooit duidelijk of het epos nou echt bestaat of is verzonnen door Donne) het gedicht in elkaar en voorziet het van noten. De noten zijn een mix van wetenschappelijke wetenswaardigheden – „In zijn ‘catalogus’ van aanvoerders met hun schepen in boek II van de Ilias noemt Homerus een aantal scheepstypen op, zoals penteconters, bemand door vijftig roeiers (Ilias 2: 719) en vroege biremen, met een hondertwintigkoppige bemanning (Ilias 2: 510)” – en persoonlijke ontboezemingen. Zo leren we dat zijn huwelijk met Gail ernstig is verzuurd en dat hij zich schuldig voelt ten opzichte van zijn dochter, die hij verwaarloosd heeft omwille van zijn werk. Uit schuldgevoel wijdt hij zijn proefschrift en de noten aan Helen, aan wie hij ook telefonisch uitgebreid verslag doet van zijn onderzoek (ze is zeven).

Dit levert potsierlijke scènes op. „Waar gaat die Ilias dan over, papa?” vraagt de brave Helen. „Het gaat over een bittere strijd tussen twee belangrijke mannen”, legt papa uit. „Schreeuwen ze dan en maken ze ruzie?” „Dat doen ze zeker.” „Dus net als mama en jij.” Ehm, nou nee.

Het hele boek door probeert Donne zijn eigen slechte huwelijk te spiegelen aan de strijd van Psoas en de andere Griekse soldaten (over een dreigende ruzie met zijn vrouw: „Maar twee vechtersbazen zouden er nog op terugkomen en weer tegenover elkaar komen te staan.”). Maar waar hij vrij goed slaagt in het overbrengen van de gruwelen van de Trojaanse oorlog, bijvoorbeeld door het beeld van een vrouw en haar zoontje die schreeuwend door vuur worden verteerd, ontstijgt zijn beschrijving van de relatie met Gail nooit het niveau van klunzige clichés. „Je hebt een hart van steen”, roept Gail, en na een ruzie liggen de beide echtelieden – als in een slechte soap – met de ruggen naar elkaar toe in bed, „in een daverende stilte en een sfeer om te snijden.”

Door de enorme hoeveelheid platitudes en de houterige dialogen komt het allemaal niet tot leven, wordt nooit echt overtuigend. Gail en Helen blijven papieren poppetjes, het worden geen personages met een ziel en wanneer Helen tegen het eind van de roman overlijdt maakt dat nauwelijks indruk. Dat Harlowe weigert terug te komen voor de begrafenis omdat hij zijn Psoas moet afmaken (want: „Gedane zaken nemen geen keer”) is totaal ongeloofwaardig – maar ook dat komt misschien omdat we hem nooit hebben leren kennen. Wat beweegt deze man nou echt? Ik heb geen idee.


Source: NRC — This article was automatically imported from the source. Read full article at original source →

NR
Originally published by NRC nrc.nl
Visit original article

admin

Leave a Comment