/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/03101553/100726WEE_2033946480_kunst4.jpg)
Op een druilerige herfstavond vond ik mezelf na een half jaar uitputting en slapeloosheid terug in een Haagse theaterzaal. Ik had me naar een concert gesleept van Hiromi’s Sonicwonder, een jazzcombo dat de zaal overdonderde met technisch verbluffende en toch ontroerende fusion from outer space – de twee oudere jazz cats voor mijn neus gingen er zo in op dat ze elkaar na de laatste toegift van geluk in de armen vielen. Niemand greep naar zijn telefoon.
Wat een wonder weer iets te voelen! Gezien eerder genoemde uitputting, maar ook omdat ik me er – misschien juist daardoor – scherp van bewust was hoezeer we gepantserd zijn. Vanwege de staat van de wereld en het tapijtbombardement van reclame, nieuws, hype en propaganda vaak over ons uitgestort via dezelfde sociale media die ons medeplichtig maken aan de verspreiding ervan. Dat verdragen vergt iets. Oogkleppen. Cynisme. Apathie. Een behoedzaamheid die, hoewel essentieel voor ons geestelijk welzijn, volgens de Canadese filosoof J.F. Martel het begin heeft ingeluid van „een ongekende psychische ijstijd”. Waar apathie heerst, schrijft hij, zijn de „sterken” degenen die zich erop kunnen laten voorstaan dat niets hen raakt. „Afstomping en stompzinnigheid worden behartenswaardige eigenschappen, en elke gepassioneerde betrokkenheid bij het leven wordt reden voor schaamte.”
De verdachtmaking van kunst past daarin, en is volgens Martel een van de grootste bedreigingen voor onze menselijkheid. Het heeft de weg geplaveid voor content die ons moet verleiden tot een aanschaf, een standpunt, haat of verslaving. Tot artifice in Martels woorden. Imitatiekunst. Oftewel: dat wat kunst nadoet met niet-artistieke intenties.
Ik denk de laatste tijd veel na over kunst: wat het is en waarom we ervoor zouden moeten vechten. Een vraag die op scherp is gesteld door de opmars van AI-slop: de stortvloed aan artificiële muziek, beeld en tekst, gebaseerd op grootschalige roof van mensenwerk die ons, gerecombineerd, als ‘nieuw’ wordt aangesmeerd. Kunnen kunstenaars vervangen worden door machine-intelligentie? Zullen techbedrijven ongeacht het antwoord op die vraag hun modellen blijven voeren met het werk van de mensen die ze overbodig proberen te maken? Zullen politici dat blijven faciliteren en kunstenaars dwingen te concurreren met hun eigen weerkaatsing? Of is er toch, jawel, reden tot optimisme?
Als we voor kunst in de bres springen, is het belangrijk meer dan rituele dooddoeners op te lepelen. Ik heb zelf veel gehad aan Martels Reclaiming Art in the Age of Artifice, een boek uit 2015 dat vorig jaar is heruitgebracht met een voorwoord van Donna Tartt en een nawoord over AI.
Oscar Wilde schreef ooit: „All art is quite useless”, wat niet bedoeld was als diskwalificatie van kunst, maar als diskwalificatie van efficiencydenken. Kunst is zelfexpressie en heeft geen doel buiten zichzelf – alleen dat al maakt het een spirituele vluchtheuvel. Wat ze doet is je binnen noden in een ander bewustzijn.
Martel memoreert die universele ervaring: je verlaat de bioscoop, loopt over straat en de wereld lijkt op slag filmischer geworden. „De passerende auto’s, de nachthemel boven de glazen torens, de straatverlichting die wordt weerkaatst door natgeregende stoepen: alles gloeit, alles is nieuw, vreemd en indringend.” Kunst kan een innerlijke aardverschuiving teweegbrengen, betoogt hij, de sluiers van het ego afrukken, indrukken vervangen door nieuwe die simultaan wezensvreemd en betekenisvol zijn. Kunst laat zien dat het menselijk bewustzijn toegang heeft tot een krachtige andere wereld: het domein van droom en mythe, van poëzie en waanzin. Kunst slecht de grens tussen het tastbare en geestelijke, tussen jouw zielenleven en dat van een ander. En is in dat opzicht, zou ik willen beweren, het enige ware sociale medium.
Nee, dan artifice, haar Doppelgänger, een schijntweeling die in veel opzichten haar tegenhanger is. Artifice noodt niet binnen in een ander bewustzijn, maar in een ruimte die vormgegeven en beheerst wordt door bedrijfsleven en politiek. In plaats van ruimte voor transcendentie en geestesvrijheid, schrijft Donna Tartt, bevat artifice haar „eigen ingebouwde en vooraf bepaalde reactie: ofwel ons een paar tranen ontlokken middels een zwellende muzikale climax, of ons op subtielere en verraderlijkere manieren verdelen en manipuleren. Waar kunst onmeetbaar is en zichzelf vernieuwt, kan artifice worden gevolgd en gemeten: ze is kenbaar, controleerbaar, herhaalbaar, clichématig, opportunistisch, afgeleid en niet-uitdagend. Ze mest ons vet met eenvormigheid.”
Dat laatste geldt in het bijzonder voor wat AI produceert. Of beter: reproduceert. Doordat AI-modellen menselijke cultuuruitingen hergebruiken en statistiek toepassen om waarschijnlijke ‘keuzes’ te maken, is wat eruit komt reactief en sleets. Dat moet ook, want iets waarlijk nieuws zou de economische levensvatbaarheid van AI ondermijnen. Wie gaf een cent voor Van Gogh in de tijd van Van Gogh?
Ik zie AI in de eerste plaats als het summum van een al langer heersende herkauwcultuur. Veel ‘makers’ hebben de mores van vermarkting, herkenbaarheid en de aandachtseconomie geïnternaliseerd en geven met hun content onbewust het signaal af dat wat ze doen niet wezenlijk is. Ze paaien het publiek onder druk van economische ‘realiteiten’, van targets van uitgevers, streamingdiensten en platenmaatschappijen, van woningcrisis en inflatie, van sociale media, ja, zelfs van de richtlijnen van het subsidie-verlenende circuit. „Vanaf het moment dat een kunstenaar gaat letten op wat andere mensen behoeven,” betoogde Oscar Wilde in Individualisme en socialisme (1891), „en aan die vraag tegemoet probeert te komen, houdt hij feitelijk op kunstenaar te zijn en wordt hij een vervelende of vermakelijke ambachtsman, een eerlijk of oneerlijk koopman.”
Wat een risico met zich meebrengt: content, van zichzelf al een derivaat, is makkelijker na te apen. Zo kan AI eenvoudig popmuziek ophoesten, omdat popmuziek door commerciële druk al decennia harmonisch, tekstueel en melodisch aan het vereenvoudigen is, een proces dat door Spotify-algoritmes nog eens is versneld. Zo is het publiek rijp gemaakt voor AI-artiesten waaraan bedrijven helemaal geen royalty’s meer hoeven af te dragen, artiesten die in je autoplay opduiken of in het geluidslandschap van reclame, lift- en supermarktmuziek. Mijn kapper is zo gewend aan autotune dat elke stem die niet synthetisch is gladgestreken voor hem „vals” klinkt. Liever dan de frasering en performance van Aretha Franklin hoort hij een „lekker stukje autotune”. AI-diensten als Suno of Udio kunnen zulks prima leveren.
Natuurlijk, de grens tussen kunst en artifice is poreus – zelfs de meest cynische content kan per ongeluk iets waardevols ontsluieren. Maar gebeurt dat vanuit intellectuele of artistieke moed? Het zegt veel, denk ik, dat juist extreemrechts graag gebruikmaakt van AI: Trumps memes, Wilders’ xenofobe plaatjes, AI-muziek die een herkenbaar bedje biedt voor geraaskal tegen azc’s. De motivatie voor deze geboren kunsthaters om iets te (laten) maken is zenden, opnaaien en manipulatie. U prompt, AI levert.
Als schrijver lees ik veel, en ik laat me inspireren door wat ik lees. Ik reageer en soms parafraseer of citeer ik. Waarin, kun je je afvragen, verschilt dat van wat AI doet? Nou, in het proces dat aan het resultaat ten grondslag ligt. Ik overweeg, associeer, maak onderscheid; ik heb een eigen smaak, een moreel kader en een wereldbeeld; er is een onderbewustzijn dat schitterende en vreselijke ongelukken mogelijk maakt. Ik heb een persoonlijke en een familiegeschiedenis, littekens en herinneringen. Ik heb agency. Er staat iets op het spel. Als ik schrijf bekritiseer en schrap ik, want maken is ook vernietigen. Uiteindelijk staat er dan iets op de pagina dat de weerslag is van een innerlijk leven. ChatGPT heeft geen innerlijk leven om verslag van te doen.
Zelfs als AI zo overtuigend kunst nadoet dat de lezer, luisteraar of kijker het resultaat niet als onecht herkent, blijft het simulatie. Ook als een mens de prompts heeft geschreven. Filmessayist Thomas Flight, die me op het spoor van Martel zette, wijst er fijntjes op dat een prompt niet een instrument voor zelfexpressie is, maar een beschrijving van een gewenste uitkomst. Alsof, zegt hij, de mensheid probeert haar rol in het creatieve proces te verzaken, zodat slechts de behoefte overblijft en een ongeduldig afwachten tot die met toenemende precisie en snelheid wordt bevredigd. Het creatieve proces als transactie. Terwijl, ironisch genoeg, de populariteit van AI-tools volgens mij juist laat zien hoe graag mensen deel willen zijn van het artistieke leven, ook als ze niet begiftigd zijn in traditionele zin, er weinig voeling mee hebben of kunstenaars irritante vogels vinden.
Ondertussen ondermijnt AI – dat in een oogwenk technisch een intimiderend niveau kan halen – bij jonge kunstenaars de motivatie om vaardigheden te ontwikkelen. Zullen we daardoor menselijke kunstenaars verliezen?
Het geniepige aan alle artifice die onze publieke en private ruimte overspoelt, is dat het verbeeldingskracht ondermijnt, zonder de tegenkrachten die autocratische kunstverboden mobiliseren. Het verbieden van een boek maakt dat boek tegelijk zichtbaarder, het laten verpieteren van het boek doet dat niet. In sciencefiction roeit de machine-intelligente haar schepper uit omdat die een verouderde iteratie van de evolutie zou zijn – wat door de wapenwedloop van autonome militaire AI-systemen trouwens best kan gebeuren – maar ik verwacht eerder een sluipmoord. AI-bedrijven ontnemen ons alles wat de ziel voedt: intellectuele en spirituele honger, behoefte aan zelfrealisatie en zelfonderzoek. Net als Martel vrees ik een toekomst waarin we er vrede mee zullen hebben de oprispingen van AI te consumeren: echo’s en nabeelden zonder zeggingskracht. We worden niet uitgeroeid, we verschrompelen tot tamme contentconsumenten.
En tot machines? Werken met AI is tweerichtingsverkeer. De modellen worden misschien getraind met het werk van mensen, de mens traint zichzelf door AI te gebruiken. Wie gewend raakt aan AI-teksten, beelden of muziek, zal zelf sneller AI-achtige teksten, beelden en muziek produceren. Door de AI-filter-look die influencers gebruiken om hun gezicht te stroomlijnen, komen echte mensen nu bij echte plastische chirurgen om zich die look te laten aanmeten. Heroin chic wordt verdreven door alien chic. Mens en machine kruipen naar elkaar toe.
Uiteindelijk komt dan het logische eindstadium van kapitalistische overheersing in beeld: kolonisatie van de geest. Als dat ten koste gaat van de levensvatbaarheid van het kunstenaarschap, zo zullen tech-bros denken, jammer dan. Of: beter dan?
Waarom ben ik dan toch optimistisch? Omdat ik mijn eigen aanstaande overbodigheid niet onder ogen wil zien?
Wat me hoop geeft, is hoe unheimisch al die AI-slop voelt en hoe snel het – geef toe – verveelt. Ik geloof niet in een ziel, in de klassieke zin, maar ik geloof wel in het bottelen van een deel van je persoonlijkheid in de vorm van kunst, die in die zin bezield is door de maker. AI-beelden bekijken heeft iets van een ontmoeting met een sociopaat. Je hoort een stem, kijkt in ogen, maar daarachter ontbreekt iets.
Ik voelde dat sterk bij de tentoonstelling AImagine – Photography and Generative Images die te zien was in het Brusselse Hangar. Onder de noemer ‘van fotograaf tot promptograaf’ werd er werk vertoond van kunstenaars die AI hadden ingezet om op fotografie en fotografie-geschiedenis te reflecteren, met soms intrigerende resultaten. Maar het was ook een bezoek aan de uncanny valley, aan Freuds Unheimliche, dat wat de wereld is binnengedrongen en je vertrouwen in de werkelijkheid aantast. Het duidelijkst zat het hem dat in de handen, die nooit echt op handen leken, en soms zelfs te veel of te weinig vingers hadden, of op vreemde manieren waren vergroeid. Wat ik symbolisch opvatte, want met zijn handen maakt de mens kunst.
Kunst is een zéér intieme ervaring. We gebruiken er niet alleen ons brein voor, het begint met een lichaam, met een fysieke ervaring die slechts ten dele toegankelijk is voor het intellect. We raken de wereld aan met onze ogen, oren en huid, en zelfs met interne organen – denk aan hoe een bas voelt in je buik. Veel van onze gedachten en emoties volgen op een fysieke sensatie – wie gember heeft gegeten, wat de ingewanden kalmeert, reageert al anders op verontrustende beelden. AI kan tot op zekere hoogte zien en horen, maar tastzin, geur en een lichaam? Het ontbreken van informatie die essentieel is voor het aangaan van verbindingen maakt de onaanraakbaarheid van AI-kunst onvermijdelijk. Zelf probeer ik bij het optrekken van romanwerelden altijd rekening te houden met het tactiele. Met textuur. Met geur. Met klank.
In een van die romans, De Mitsukoshi Troostbaby Company, is een hoofdrol weggelegd voor een robotkind dat wel een lichaam heeft, en dankzij spiegelneuronen een vermogen tot empathie. Zo’n machine wordt menselijk en zou volwaardige kunst kunnen maken vanuit een individuele ervaring van de wereld. AI kan niet eens een doorleefd verhaal schrijven over hoe het is AI te zijn – het zou slechts door mensen geschreven sciencefiction kunnen plunderen om iets te maken dat weergeeft hoe mensen denken dat het is om AI te zijn. Alle beloftes over superintelligentie en zelfbewustzijn ten spijt, is een werkelijk bezielde machine-intelligentie ver weg.
Maar de belangrijkste reddingsboei voor kunst is dat mensen in de kern geïnteresseerd zijn in de menselijke ervaring. Als de nieuwigheid eraf is, en duidelijk wordt dat AI-kunst zo’n ervaring slechts kan nabootsen, zal het rendement tegenvallen en tech zich er vaker uit gaan terugtrekken, zoals OpenAI recent deed met videodienst Sora. „AI zal op de best denkbare manier saai worden”, voorspelt computerwetenschapper Nick Frosst in The New York Times. „Het zal naar de achtergrond verdwijnen, zoals GPS of spreadsheets, en vooral een voedingsbron zijn voor alledaagse toepassingen in het werk van mensen.”
Wat kunstenaars niet ontslaat van de plicht om dat wat dierbaar is weerbaarder te maken. Martel roept ze op kunst serieuzer te nemen – jaag een visie na die van binnenuit komt, niet eentje die wordt opgedrongen door sociale druk, de grillen van de markt, of populaire smaak. We moeten, zegt hij, het oude idee van kunst als heilige waanzin in ere herstellen. Kunst moet vreemd, ongemakkelijk en onrendabel durven zijn. Alleen dan kunnen we dingen voortbrengen die we nog nooit gezien of gedacht hebben.
Ik zeg dit natuurlijk ook tegen mezelf. Want is wat ik maak wél kunst? Durf ik ongeliefd en onbegrepen te zijn als het werk dat vereist? Of ben ik besmet door de mores van mijn tijd, het kwantificeerbare gelijk van dat wat verkoopt en gewaardeerd wordt? Ik hoop van niet, en vrees van wel.
Na dat Haagse concert van Hiromi’s Sonicwonder dwaalde ik, vreemd gelukkig en licht aangeschoten van de foyerwijn, terug naar Den Haag Centraal. Het was donker en het miezerde. Vanuit een ooghoek zag ik opeens een kleine Japanse vrouw het gure weer trotseren, vergezeld van een beer van een vent die een basgitaar torste. Hiromi droeg niet langer haar kleurige podium-outfit, maar een doordeweekse winterjas, en haar haar stond niet langer rechtop. Voor mij versterkte dat beeld vooral mijn verwondering over wat een mens vermag. Dus deed ik iets wat ik nooit eerder gedaan heb: ik riep haar vanaf de overzijde van de straat als een verward persoon toe dat het geweldig was geweest. Thank you so much! Arigatō gozaimasu! Ze boog lichtjes, dankte me voor dat danken en verdween in een zijstraat richting haar hotel.
Source: NRC — This article was automatically imported from the source. Read full article at original source →