De brand die sinds zondag woedt in de bossen van Fontainebleau is bedwongen, zegt de Franse brandweer ter plaatse, al is het vuur voorlopig nog niet gedoofd. Tien brandhaarden werden er geteld in een straal van één kilometer en al vrij snel werd vermoed dat de brand veroorzaakt was door menselijk handelen.
Twee jonge mannen bekenden deze week dat zij ieder ten minste één brandhaard op hun geweten hadden. De een zei tegen de politie dat hij „per ongeluk zijn brandende sigaret had weggegooid” in de buurt van de paardenrenbaan. Een ander bekende dat hij in het bos met takjes, benzine en een aansteker in de weer was geweest. Deze jongen, geboren in 2007, was vrijwilliger bij de brandweer van Fontainebleau.
Negen op de tien bosbranden beginnen bij een mens, blijkt uit een analyse van de Franse databank voor bosbranden. Sinds 2006 wordt daarin bijgehouden hoe bosbranden zijn ontstaan. Soms gebeurt dat spontaan (bliksem), soms door pech (een vonk van een elektriciteitskabel). Soms gebeurt het per ongeluk (de barbecue valt om, een brandende peuk), maar in 29 procent van de gevallen gebeurt het met opzet.
Een brandstichter is zelden een pyromaan, zegt Lydia Dalhuisen. Zij is universitair hoofddocent forensische psychiatrie en psychologie aan de Universiteit Utrecht en promoveerde in 2016 op brandstichting en brandstichters. Zij onderzocht zevenhonderd dossiers van Nederlandse brandstichters – zeshonderd daarvan waren afkomstig van de forensische observatiekliniek Pieter Baan Centrum. „Nog geen vijf kregen de diagnose pyromanie.” Alleen als iemand een allesoverheersende fascinatie heeft voor vuur en de onbeheersbare drang om brand te stichten – en elk ander motief (boosheid, wraak, verveling) of oorzaak (psychose, waan) kan worden uitgesloten – is er sprake van pyromanie.
Lydia Dalhuisen: „De brandstichtende brandweerman is een fenomeen dat veel in Amerikaans onderzoek voorkomt, waar de vrijwillige brandweer anders is georganiseerd. Als vrijwilligers daar bij brand worden opgeroepen, krijgen ze de gewerkte uren betaald. Er is een instrumenteel motief, ze hebben financieel baat bij brand. Ik weet niet hoe de vrijwillige brandweer in Frankrijk werkt, de meeste Franse dorpen zullen een eigen lokale kazerne hebben, ik weet niet wat de toelatingseisen zijn en of er een beloning tegenover staat.”
In haar onderzoek onderscheidt Dalhuisen vijf typen brandstichting, met een bijbehorend type brandstichter. De vandalistische brandstichter is jong, verveelt zich en steekt, meestal ’s avonds, impulsief een auto of container in de fik. De gestoorde brandstichter handelt in een waan, begint een „kampvuur in de slaapkamer” of denkt aliens te moeten uitroken.
Zelf vindt ze de relationele brandstichter het „gevaarlijkst”. „Vuur is voor deze daders een machtig wapen dat doelbewust wordt ingezet. Vaak gaat het om wraak op een ex-werkgever of ex-partner.” Het delict wordt goed gepland en de schade aan lijf en goed van het slachtoffer is groot. „Als je deze groep forensisch wilt behandelen, nemen we een soort vuuranamnese af. Wat voor rol heeft vuur of brand in hun leven gespeeld? Wat betekent vuur voor hen?”
De opportunistische brandstichter gaat het niet zozeer om de vlammen, het vuur wordt gebruikt om sporen te wissen of om geld op te strijken van de verzekeraar. De laatste, vijfde categorie is de dader met een „zucht naar brandstichting”. Ze krijgen een „kick” van vuur, bluswerk en brandweerlieden en handelen meestal alleen en impulsief. Doorgaans blijven ze niet ter plaatse kijken naar de brand, ze volgen de brand wel op televisie en via sociale media. Pyromanen vallen in deze categorie.
„Dé bosbrandstichter bestaat eigenlijk niet. Buitenbranden en dus ook natuurbranden zie je vaak bij vandalen. Jongens op straat zetten een bankje in de fik, dan gaan de coniferen eraan en dan een struikenbos. Het heeft iets van thrill seeking, kijken wat er gebeurt. Het kan ook een zuchtige brandstichter zijn, één met een verlangen naar vuur. Hoofdmotief, eigenlijk bij alle brandstichters, is altijd woede en boosheid op iets of iemand of de wereld in het algemeen.”
„Brandstichting is een mannelijk delict. Vrijwel alle daders zijn man, jong en hoofdzakelijk wit. Zelfs in Amerika, waar de gevangenispopulatie overwegend zwart is, zijn brandstichters witte mannen. Als er al een vrouw wordt aangehouden, is er vrijwel altijd sprake van een stoornis.”
„Ik ben wetenschapper, dat maakt het lastig om te gissen. Maar je kán daar iets uit afleiden natuurlijk. Brandversnellende vloeistof meenemen, dat zou ook ergens op kunnen wijzen.”
„In het Nederlandse strafrecht wordt onderscheid gemaakt tussen brand door schuld en brand door opzet. Het verschil zit in de wil, zeg ik tegen mijn studenten. Wie een brandende sigaret weggooit in een dor en droog bos heeft geen brand gewild, maar hij had kunnen weten dat zijn onvoorzichtigheid daar wel toe zou leiden. Maximale celstraf – als er een dode valt: twee jaar. Steek je de brand bewust aan, al is het uit baldadigheid, en er vallen doden of gewonden, dan kan levenslang worden opgelegd. In het Franse strafrecht is de hoogste straf 15 jaar cel.”
„Zeker, dat dateert nog uit de tijd dat we in houten huizen dicht bij elkaar woonden. Inmiddels zijn buitenbranden, en vooral bos- en natuurbranden, veel groter en gevaarlijker geworden. Mijn onderzoek is tien jaar oud, de klimaatopwarming is sindsdien zo razendsnel gegaan, dat een fikkie stoken in het bos enorm uit de hand kan lopen. De intentie, alleen een beetje herrie schoppen, komt dan niet meer overeen met de gigantische gevolgen.”
Source: NRC — This article was automatically imported from the source. Read full article at original source →