/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/10125243/170726WEE_2034433791_WEB_ILLU_Scootmobiel_DEF_01_Gijs-Kast.jpg)
Op een zonovergoten dinsdagmorgen in de meivakantie rolde mijn geliefde me op een verlaten industrieterrein in Almere een hal binnen. Daar zag ik ze, opgesteld in lange rijen. Sommige hadden vier wielen, andere drie, sommige waren breed en patserig, andere smal en elegant. Mijn partner reed mijn rolstoel langs de rijen tot mijn oog viel op een slank wagentje, glimmend petrol-groen, slechts één zijspiegel, de andere ontbrak. Dat vond ik een charmant gebrek, maar het was niet waar ik voor viel. Luna Victory E Pride las ik in glimmende letters op haar flank. Een naam als de schitterende unicorns waar mijn dochter mee speelde, of die van een adembenemende dragqueen. Haar wilde ik in mijn leven.
Enkele weken daarvoor, op de spoedeisende hulp, had ik stoned van de morfine geluisterd naar de uitleg van de arts over wat er te zien was op de röntgenfoto van mijn been. Ik was zojuist in het centrum van Amsterdam aangereden door een brommer. Ik kon de arts nauwelijks volgen: tibiaplateaufractuur, losliggende fragmenten, operatie, waarschijnlijk nooit meer hardlopen… „Dus het is niet best, als ik u goed begrijp?”, vroeg ik. Hij schudde zijn hoofd en antwoordde met een scheef lachje: „Ken jij dat filmpje van die skiër, Lindsey Vonn, die haar been brak op de piste? Dat je hem zo zag bungelen in de lucht? Dat was erger. Daarna kom jij.”
Na twee weken van teen tot heup in het gips volgde een operatie, waarna ik mijn been zes weken niet mocht belasten. Voor bijna alles wat ik deed – van me aankleden tot een kop thee zetten – had ik hulp nodig. Het bleek niet lekker slapen met een knie in ‘losliggende fragmenten’. In de nachten die voorafgingen aan deze dinsdagmorgen in Almere deed ik mijn research. De muren kwamen op me af. Ik kon aan niks anders meer denken dan aan accu’s, actieradius en aantal kilometers per uur. Met een tweedehandsscootmobiel zou ik eindelijk weer zelfstandig het huis uit kunnen.
Twee dagen na de aanschaf werd Luna thuisbezorgd en maakte ik direct mijn eerste ritje: voor een brood naar de Albert Heijn. Luna kon misschien dan maar maximaal 15 kilometer per uur, maar ze trok razendsnel op. Voor het eerst in weken voelde ik weer de wind door mijn haren. Ik droeg mijn gaafste spijkerjack en had een zonnebril op. De verleiding te toeteren naar elke knappe vrouw die ik onderweg tegenkwam kon ik maar nauwelijks weerstaan. Luna haalde een macho in me naar boven die ik nog niet van mezelf kende. Zie mij gaan!
Alleen: niemand zag me. Mensen keken over me heen. Alleen met de caissière had ik daadwerkelijk oogcontact. Eerst dacht ik dat ik het me verbeeldde, maar het gebeurde vaker als ik met Luna op pad was. Toen ik me een weg baande naar het café in het park om de hoek, stapten de mensen met hun blakend gezonde benen wel beleefd opzij als ik het hun vroeg, maar niemand beantwoordde mijn vraag ook maar met een knikje of een blik. De beveiliger die ik in de bibliotheek om hulp vroeg omdat de lift niet werkte, richtte zich niet tot mij maar tot mijn vriendin, alsof er meer aan mij stuk was dan alleen mijn knie.
Voor mij is deze zonderlinge onzichtbaarheid een bevreemdende bijkomstigheid van het plotseling niet kunnen lopen. Voor anderen, die al langer met hun lichaam of gezondheid afwijken van wat geldt als de norm, is dit gesneden koek. In de ijzersterke essaybundel Handicap. Een bevrijding (2024) concludeert schrijver en historica Anaïs Van Ertvelde dat de blik van de buitenwereld vaak meer beperkend werkt dan een handicap zelf. Ze constateert dat mensen met een beperking zich bevinden op de plek „waar verhoogde zichtbaarheid en volstrekte onzichtbaarheid samenkomen”. Men staart óf kijkt juist angstvallig weg van bijvoorbeeld rolstoelgebruikers. Beide gedragingen tonen dat mensen niet weten hoe naar een handicap te kijken. Het verbaast Van Ertvelde niets: we hebben het nooit geleerd.
De laatste tijd denk ik vaak terug aan een spraakmakend gesprek tussen journalist Joris Luyendijk en politicus Sylvana Simons in 2022 bij tv-programma Buitenhof. Als Luyendijk een tijd in het Verenigd Koninkrijk gaat werken voor een Britse krant, merkt hij dat hij, als niet-Brit, minder serieus wordt genomen door zijn collega’s. Hij ervaart misschien wel voor het eerst in zijn leven uitsluiting. Naar aanleiding daarvan schreef hij het boek De zeven vinkjes (2022) waarin hij betoogt dat bepaalde kenmerken, zoals man, wit, hetero en moedertaalspreker zijn, je onverdiende voordelen geeft in het leven. Twee vinkjes ontbreken overigens op zijn lijstje: gezond en niet beperkt zijn. Luyendijk kreeg kritiek dat hij een fenomeen beschreef alsof hij het zelf had ontdekt terwijl allerlei denkers van kleur, vrouwen en queer mensen zulk onrecht al decennialang aankaarten.
Bij Buitenhof legt Simons helder uit waar het aan schort, wanneer ze constateert dat geprivilegieerde mensen uitsluiting pas accepteren als waar en urgent wanneer ze het zelf hebben ervaren. Alsof het dan pas voor hen bestaat. Met een beteuterde blik knikt Luyendijk instemmend naar zijn gesprekspartner. Een heerlijk tv-moment.
Door mijn val besef ik dat ik precies zo bleu ben als Luyendijk. Ik had heus wel gehoord van validisme, het stigmatiseren of discrimineren van mensen met een beperking of een haperende gezondheid, maar er eerder nauwelijks gedachten aan gewijd. Pas nu mij zelf het zweet uitbreekt wanneer ik in een openbare gelegenheid een onneembaar hoge drempel tegenkom of rijdend op Luna niet voor vol word aangezien, treft me hoe oneerlijk dat is. Privileges zijn misschien niets om je voor te schamen; onwetendheid is dat wel. Ik geneer me voor mijn eigen luie onwetendheid op dit punt.
Waar ik me dan weer absoluut niet voor geneer, is Luna, en dat vinden veel mensen in mijn omgeving (Amsterdams, hoogopgeleid, wit en zich graag profilerend als progressief en inclusief) „heel dapper” van me. Een greep uit de reacties. Lacherig: „Niet! Een scootmobiel?! Echt?!” Bewonderend: „Dat je dit gewoon doet, op een scootmobiel rijden. Dat je dat durft.” Meewarig: „O jeetje, daar zou ik wel even een drempel voor over moeten.” Schertsend: „Je gaat wel heel ver, hoor, in de aanpassing aan het straatbeeld.” Context: ik woon in een volkswijk in Amsterdam-Noord, waar de Canta een favoriet vervoermiddel is. In mijn straat alleen al staan zeker vijf scootmobielen in voortuintjes geparkeerd.
In de NTR-documentaire Scootmobiel (2024) volgt Frans Bromet verschillende mensen met een scootmobiel. Ze komen samen tijdens scootmobielgroepstochten door de natuur, georganiseerd door Bart, die vanwege een longaandoening nauwelijks kan lopen. De chauffeurs genieten van deze tochten: de scootmobiel geeft hun vrijheid. Maar in zijn interview met Bart vraagt Bromet hem vrijwel direct of het geen „vernedering” was om in de scootmobiel te stappen. Kennelijk ziet niet iedereen Luna zoals ik haar zie – als een godsgeschenk. Dankzij Luna kan ik bijvoorbeeld mijn kinderen weer naar school brengen: met mijn dochter op mijn gezonde been op schoot, mijn zoon op de fiets naast me, cross ik het schoolplein op en zo zet ik ze af bij de deur.
Voor de mensen in mijn bubbel lijkt rijden op een scootmobiel toch in eerste instantie iets schaamtevols. De schaamte reikt verder dan Luna alleen. Ook ik blijk er niet vrij van.
„Mijn god, het lijkt hier wel een sterfscène”, zei de vader van een vriendinnetje van mijn kind, toen hij haar kwam halen bij ons thuis, kort na mijn val – ik lag op een ziekenhuisbed in de woonkamer. Ja wat gênant dat ik het zo ver heb laten komen, was het eerste wat ik daarop dacht. Alsof het toch een beetje falen was dat ik met geen mogelijkheid de trap op kon. „Dus je geeft nu gewoon online les?”, vroeg een kennis die net als ik aan de universiteit doceerde, enkele weken na mijn operatie. Beschroomd gaf ik toe dat ik daar simpelweg te moe voor was. Hoewel ik wel wist dat het absurd was, rekende ik het mijzelf aan: het niet-sterk zijn, het niet kunnen meedraaien met de anderen.
„Kwetsbaarheid wordt vaak genoeg als morele zwakte gezien, als aangeboren vatbaarheid. Als falen ook”, schrijft socioloog Marguerite van den Berg in haar boek Kwetsbaar. Politieke mogelijkheden (2025). Zowel Van den Berg als Van Ertvelde wijst erop dat deze zienswijze zijn oorsprong vindt in een kapitalistisch wereldbeeld, waarin de waarde van een mensenleven vaak afgemeten wordt aan hoe productief het is.
Daarbij maakt het uit of het gaat om tijdelijke of chronische kwetsbaarheid. Als ik me op krukken voortbeweeg, benaderen mensen me anders dan wanneer ik op mijn scootmobiel zit. Op krukken lijk ik er nog bij te horen, duidelijk slechts kortstondig uit de running. Misschien ben ik zelfs wel geblesseerd geraakt bij het sporten, wat flinke mensen nou eenmaal overkomt. Hoewel ik inderdaad – hoop ik dan toch – maar tijdelijk invalide ben, plaatst de aanblik van Luna me in een andere categorie. Zoals een moeder het verwoordde, toen ik Luna voor het eerst om de hoek bij de fietsen had geparkeerd en met krukken het schoolplein op stiefelde: „Goed je zo te zien! In die scootmobiel oogde het wel heel zielig en definitief.”
Zielig en definitief: de meest verbluffende illustratie van die perceptie kwam van een mijn beste vrienden. Op een dag kuste ik mijn geliefde op straat gedag – zij boog zich naar me toe terwijl ik op Luna zat – en hij fietste langs. In een flits zag hij ons, maar herkende me eerst niet. ‘Ach, wat schattig’, dacht hij bij zichzelf. ‘Wat leuk dat deze invalide persoon een geliefde heeft kunnen vinden die dat niet is. Wat fijn dat dat ook kan!’ Pas enkele ogenblikken daarna realiseerde hij zich dat ik het was in die scootmobiel en besefte hij wat zijn eerste ingeving verraadde over zijn blijkbaar nogal badinerende blik op mensen met een beperking.
Het onderscheid tussen tijdelijk invalide zijn (en dus nog bij de gezonde mensen horen) of definitief beperkt zijn, leidt af van wat pas echt tijdelijk is: het hebben van een goede gezondheid. We hebben allemaal een lichaam dat het vroeg of laat kan, nee, zál laten afweten. De kloof tussen zelfredzame mensen en zij die kwetsbaar zijn, is fictief, zegt Van den Berg: zelfredzaamheid is een mythe. In die mythe zijn het altijd anderen die kwetsbaar zijn: oudere mensen, arme mensen, mensen die wonen in bepaalde wijken, mensen met een beperking. Maar we zijn allemaal kwetsbaar, alleen zijn sommigen van ons beter beschermd, schrijft Van den Berg.
De mate van bescherming hangt samen met factoren als inkomen en opleiding. Dat ik geen lange procedure bij de gemeente hoefde te doorlopen om een scootmobiel te krijgen, maar direct een tweedehandsexemplaar van mijn spaargeld kon kopen, is daar een voorbeeld van. De relatie tussen gezondheid en sociaal-economische status is veelvuldig aangetoond. Het is geen toeval dat juist mijn wijk relatief veel scootmobielen telt, een wijk waar veel bewoners fysiek zwaar werk uitvoeren en minder te besteden hebben dan een buurt verder.
Van Ertvelde wijst op het werk van een activist die mensen zonder beperking temporarily able-bodied people noemt: ‘vooralsnog niet gehandicapt’. Van Ertvelde schrijft dat mensen zonder handicap die benaming vaak vervelend vinden, alsof ze niet willen weten dat juist hun ‘able-bodied’ status per definitie van voorbijgaande aard is. Misschien is dát wel wat we liever uit ons blikveld houden, als we wegkijken van mensen in een scootmobiel: de broosheid van ons eigen lichaam.
Net als toen ik in verwachting was en de straten ineens bevolkt bleken door zwangere vrouwen, zie ik nu pas overal de scootmobielen en hun bestuurders. Mijn buurman bijvoorbeeld. Net zoals de mensen nu langs mij heen kijken, ging ik hem altijd wat uit de weg. We leefden in verschillende werelden, meende ik. Pas sinds kort weet ik dat hij, toen hij net zo oud was als ik nu, van een dak gevallen is en sindsdien nooit meer heeft kunnen werken. Nu geeft hij me tips: Altijd je snoer mee! Bij een politiebureau mag je opladen, als je accu leeg is onderweg.
Op de markt staan de scootmobielen met hun berijders in kluitjes bij elkaar. Als ik ze passeer op Luna, wil ik ze groeten. Mogelijk uit compensatiedrang voor mijn eerdere blindheid – alsof iemand daarop zit te wachten, en daarom doe ik het ook niet – maar misschien vooral in de hoop op herkenning: hoe wankel je je kunt voelen op plekken waar het druk is, de angst onder de voet gelopen te worden als je niet snel genoeg voortschuifelt, en hoe fijn het is – niet zielig! – er zelf op uit te kunnen.
Van de kinderen op het schoolplein krijg ik nog de passendste reactie op mijn nieuwe voertuig. Ze drommen om me heen wanneer ik mijn zoon en dochter ophaal: „Waar is dit knopje voor?” „Hoe hard kan-ie?” „Mag ik ook een rondje?” „Toeter eens!” Ze vinden me sneu noch dapper. Zij zien Luna voor wat ze werkelijk is: ontzettend cool.
Source: NRC — This article was automatically imported from the source. Read full article at original source →