Mijn moeder was over uit Uruguay. Sinds ik voor voetbaltijdschrift Hard Gras essays over haar schreef en haar zo nu en dan opvoer in een column, zijn haar bezoeken aan Nederland niet compleet als daarover niet iets in print verschijnt. Daarom zal het hier vandaag, wat er ook in brand staat, droogvalt of vergiftigd raakt, over mijn moeder gaan.
De eerste week van haar verblijf huurden we een stacaravan op de camping bij mijn zus, voorbij Nijmegen. We keken WK-wedstrijden en haalden herinneringen op. Dat zijn bij ons steeds dezelfde. Ik vermoed dat families in de diaspora, die hooguit een paar weken per jaar samen zijn, minder herinneringen hebben dan families die bij elkaar leven. Het maken van blijvende herinneringen ging op de camping niet heel voortvarend, Argentinië-Egypte daargelaten.
Terug in Amsterdam klaagde mijn moeder over haar Nederlands, dat achteruitgaat. Toen ze hier woonde, sprak ze de taal met vrienden en collega’s. Die heeft ze nu niet meer en in familiekring spreken we Spaans. Ik stelde voor Hollandse uitdrukkingen te oefenen. Dat mijn moeder: „Mij maken ze de piez niet lauw”, zei bracht hilariteit, maar de potentie een blijvende herinnering te worden leek ver weg.
Een kleine twintig uur voor haar retourvlucht naar Uruguay zou vertrekken, kwam mamá bedremmeld de logeerkamer uit. Ze had haar paspoort verstopt, maar ze wist niet meer waar. Nu kon ze niet verder zoeken want ze moest naar Utrecht. Daar had ze met de kleinkinderen afgesproken. Ik bracht haar tot de pont achter het Centraal Station. Bij terugkomst zouden we haar paspoort wel vinden, zei ik. Zo groot was de logeerkamer niet. ”Er zit ook geld bij”, zei ze zachtjes.
Ik dacht meteen aan El exilio de Gardel, een film uit 1986 over Argentijnse asielzoekers in Europa. Daaruit herinneren we ons altijd de passage met de grootmoeder die overkomt uit Argentinië. Ze heeft het spaargeld van een paar ballingen bij zich. Die willen daarmee een pizzeria beginnen. Vanwege de douanecontroles verstopt die oma het pakketje dollars in haar onderbroek. Vlak na aankomst gaat ze naar het toilet en spoelt per ongeluk het startkapitaal door de plee. De kreet „¡los dólares!” verwijst bij ons al tientallen jaren naar die scène en meer in het algemeen naar het kwijtraken van waardevolle papieren, al dan niet door reizende grootmoeders.
Ik verwachtte dat we tijdens het zoeken de herinnering aan die scène zouden oprakelen, maar voor mijn moeder terugkeerde uit Utrecht werd er gebeld vanaf de camping. Of we een paspoort in de caravan hadden achtergelaten, en geld. Ik belde mijn moeder. Na de eerste paniekgolf nam ze, vergezeld door kleindochter, de trein naar Nijmegen. Mijn zus reed intussen naar de camping. Dankzij een estafette met trein, auto en familie kreeg mijn moeder haar paspoort op tijd terug, inclusief dólares. Helaas bleef er geen tijd meer over voor winkeldiefstal, opstootjes en willekeurige criminaliteit die we, als gewezen asielzoekers in Nederland, geacht worden te plegen. ‘s Avonds kwam mijn moeder beschaamd de pont weer af, al werd die schaamte snel verdrongen door een opgeheven vingertje: als ik het maar uit mijn hoofd liet over haar seniorenmomentje te publiceren.
Om vijf uur ‘s ochtends namen we afscheid op Schiphol. Weer thuis ging ik op haar bed liggen. Daar bleef ik tot na mijn moeder ook haar geur was verdwenen. Wat achterbleef was de fonkelnieuwe herinnering aan de keer dat ze haar paspoort in die caravan had verstopt. Om die te koesteren, was het voor haar nog te vroeg.
Source: NRC — This article was automatically imported from the source. Read full article at original source →