/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/17140233/180726BIN_2035307343_2.jpg)
Op een modderig voetbalveld in de Oost-Congolese stad Beni wordt binnen één maand een nieuw behandelcentrum voor ebola uit de grond gestampt. Het is „ongelofelijk” hoe snel het gaat, vindt Marcella Kraaij, projectcoördinator voor Artsen zonder Grenzen (AzG). „Het is hard werken, ik heb geen idee meer welke dag het is”, vertelt ze via een korrelige videoverbinding op haar telefoon.
Het is negen uur ’s avonds, haar gezicht is verlicht door haar telefoonscherm. Achter haar lopen collega’s, ze zijn net als Kraaij al sinds zeven uur ’s ochtends aan het werk. Kraaij zit op het balkon in het hotel waar ze met het 35-koppige AzG-team twee maanden verblijft. Ze is sinds een week in Beni om de stad voor te bereiden op een toename van ebolabesmettingen door het oprukkende Bundibugyo-virus.
Kraaij en haar collega’s hebben net als artsen in behandelcentra in het noordelijke Bunia veel regels: eigen kamers, handen wassen en elkaar niet aanraken. Ook dragen ze beschermende pakken.
Haar hotel is sober. „Vandaag was het enorm aan het regenen en was er weer een soort zwembad ontstaan in mijn kamer. We hebben ook niet echt douches, maar een emmer met een bakje. Maar goed, we hebben water, elektriciteit, internet en eten.”
Kraaij werkt vooral op en rond het bouwterrein. De Amsterdamse is er leidinggevende, verantwoordelijk voor de veiligheid van het team. Ze is ook een beetje „tourguide”. Inwoners kennen de ziekte maar aarzelen om naar een gezondheidscentrum te gaan en daar zijn de rondleidingen voor. Vandaag wel drie, voor mensen van het provinciale ministerie van Gezondheid, buurtvaders en -moeders, en lokale actiegroepen. Ze legt uit dat ebola behandeld kan worden, en dat de overlevingskans dan stijgt. Zo hoopt ze „vertrouwen op te bouwen en wantrouwen weg te nemen”.
Misinformatie over het virus gaat snel rond, dat probeert ze te weerspreken. ‘Waarom krijgen burgers wel ebola en militairen niet?’, vroeg iemand haar. Toevallig was die dag een militair positief getest, dus kon ze dat idee weerleggen. Of ze hoort mensen zeggen dat er geen ebola was voordat de internationale hulpverlening arriveerde, ‘dus zij komen het brengen’. Ze begrijpt de argwaan wel, „dat zag je ook in Nederland toen er lockdowns kwamen bij Covid”. „Mensen zijn gewoon heel bang.”
Het nieuwe AzG-centrum is het tweede behandelcentrum in de stad, een toevoeging op het algemene ziekenhuis van Beni waar al twintig bedden beschikbaar zijn voor ebolapatiënten met een positieve test uit het laboratorium.
Op 27 juli moet het nieuwe behandelcentrum openen. „Toen ik hier aankwam was het terrein nog kaal”, zegt Kraaij. „Er lagen wat betonnen vierkante platen. Er was een put geslagen, zestig meter diep voor water. En nu staan al metalen palen met tentdoek overeind. Het moeten 32 individuele kamers worden waar we ebolapatiënten kunnen behandelen.”
Kraaij hoopt dat de twee ziekenhuizen genoeg plek bieden bij een ebola-uitbraak: „In dit deel van het land zijn tot nu toe 35 positief geteste gevallen geweest”. Een stuk minder dan in het noorden, waar de uitbraak begon. „Daar zijn honderden gevallen.”
Beni met zo’n 250.000 geregistreerde inwoners (het werkelijke aantal kan oplopen tot 400.000 mensen, zegt Kraaij) ligt in het oosten van de Democratische Republiek Congo en grenst aan de zwaarst getroffen provincie Ituri. Afgelopen week telden Congolese autoriteiten sinds de uitbraak in mei ruim 2.200 bevestigde ebola-infecties en zo’n 890 doden in heel Congo. De aantallen kunnen hoger liggen, omdat contactonderzoek en tests in laboratoria moeilijk te organiseren zijn in het gebied met verschillende gewapende conflicten en een overbelast zorgsysteem.
Kraaij ziet overal posters hangen met: ‘Let op, er is ebola. Eet geen bushmeat (wild vlees), en was je handen veelvuldig’. Lichaamstemperatuur wordt veel gemeten op straat. Inwoners zoeken naar informatie. „We krijgen veel vragen over vaccinatie”, zegt Kraaij, „want er zijn voor andere varianten wel campagnes geweest tussen 2018 en 2022. Maar helaas is er voor deze variant nog geen vaccin beschikbaar.”
Het leven in de stad is hard, ziet Kraaij. „Er is hier ook veel armoede, de werkloosheidspercentages zijn iets van 90 procent.” Ze zag het ook in andere conflictgebieden en noodtoestanden: Haïti, Afghanistan, Soedan, Bangladesh, de ebola-uitbraak in West-Afrika in 2014.
Ondanks die moeilijke omstandigheden vinden de mensen in Beni snel iets om over te lachen, ziet Kraaij. „Als ik een muziekje hoor op straat en een dansje doe, vinden mensen dat geweldig en beginnen ze ook meteen te dansen. Er zijn altijd wel mooie dingen te zien.”
In een razendsnel tempo is er een behandelcentrum neergezet in Beni.
Kraaij ziet veel vooruitgang vergeleken met een eerdere grote ebola uitbraak die ze meemaakte. Het behandelcentrum is bijvoorbeeld op een veiligere manier ingedeeld, met meer respect voor patiënten. Zij hebben privékamers met ramen, waardoor ze in isolatie hun familieleden op veilige afstand kunnen zien. De ramen zorgen ook dat artsen en verpleegkundigen hun patiënten vanuit looproutes kunnen observeren. En via tactische gaatjes in de muur kunnen ze elkaar spullen doorgeven zonder dat elke zorgverlener in ebola-pak naar binnen hoeft.
Het risico om zelf besmet te raken blijft. Kraaij en haar collega’s hebben veel regels: eigen kamers, handen wassen, een no touch policy.
Om te ontspannen probeert Kraaij elke dag even te sporten. Op haar kamer, tussen zeven en acht ’s avonds. Ze volgt een High Intensity Interval training-video, noemt het zelf gymmen. Het helpt haar de stress van zich af te schudden. „Dan kan ik er weer een paar uurtjes tegenaan.”
Een schoonmaker maakt de laarzen schoon van artsen en verplegend personeel die werken in een ebola-behandelcentrum in Bunia.
Source: NRC — This article was automatically imported from the source. Read full article at original source →