Skip to content

‘Kanker loert in de verte, en dichterbij, minder dodelijk maar veel acuter, zijn irritante weggebruikers’

World
‘Kanker loert in de verte, en dichterbij, minder dodelijk maar veel acuter, zijn irritante weggebruikers’

Het is midden op de dag, een weekenddag in september, en ik fiets door de Javastraat in Amsterdam. Auto’s blokkeren de weg, ze proberen achteruit in te parkeren terwijl fietsers eromheen krioelen als wespen om een glas limonade. Een fatbike scheurt langs zonder om te kijken. Een kind schreeuwt.

Ik wacht rustig tot de weg weer vrij is, ik laat mensen voorgaan en maak plaats voor de auto. Ik erger me niet. Dit is opmerkelijk, want normaal gesproken levert zo’n situatie hoge bloeddruk op, hartkloppingen en moordfantasieën. Ik ben milder geworden, denk ik.  

Ruim een week eerder kreeg ik de diagnose eierstokkanker, en mijn leven ‘staat op zijn kop’, zoals dat heet. Ik snap nu pas echt waar die uitdrukking vandaan komt. Alles is anders dan eerst. Alles voelt als een nachtmerrie (ook al zo’n cliché) en tegelijk voel ik heel veel liefde: voor het leven, voor de mensen om me heen en zelfs voor vreemden, ook al zijn ze klunzig aan het inparkeren. Ik probeer wanhopig grip te krijgen op de nieuwe situatie, en vooral om lichtpuntjes te vinden: bewijs dat de kanker mij misschien ook iets goeds kan brengen. Stel dat ik nog maar een paar jaar te leven heb, maar me in die jaren door het leven beweeg als een soort liefde verspreidende zenmeester, is het dan per saldo niet alsnog goed nieuws?

Enkele maanden later, dezelfde straat. Een fietser komt van rechts, ik houd in om hem voor te laten, maar hij slaat af zonder zijn hand uit te steken. BEN IK ECHT DE ENIGE DIE DE VERKEERSREGELS KENT? denk ik. De zelfdiagnose ‘milder geworden’ moet ik herzien: ik erger me als vanouds en gun irritante weggebruikers het licht in de ogen niet. Dan heb ik het over afslaande fietsers die hun hand niet uitsteken, maar ook over voetgangers die een afwachtende houding aannemen bij het zebrapad, mensen die diagonaal oversteken zonder te kijken en fietsers die heel langzaam links rijden. Ik zou graag doorgaan met deze opsomming, maar die is off-topic: terug naar eierstokkanker.

Ingrijpende gebeurtenissen leiden vaak tot duidingsdrift. Denk bijvoorbeeld aan de coronapandemie, toen al binnen enkele weken na de eerste besmettingen de analyses ons om de oren vlogen van hoe we minder zouden gaan vliegen en consumeren en meer zouden geven om de natuur en korte toeleveringsketens. Uiteindelijk bleek er niks van waar. De pandemie leidde wel tot ándere veranderingen: de lockdowns en (ervaren) vaccinatiedwang duwden een aanzienlijke groep mensen in een wantrouwende anti-overheidspositie waar ze tot op de dag van vandaag niet zijn uitgekomen. Dit was in die eerste weken nog moeilijk te voorspellen, wat precies de reden is dat die duidingsdrift geen zin heeft.

Maar begrijpelijk is die drift wél. Het is doodeng als je wereld op zijn grondvesten schudt, je wil meteen iets nieuws opbouwen, een plek om in te schuilen. En idealiter win je er ook iets mee. De gebeurtenis krijgt haar plek in een narratief met een opgaande lijn.

Ik ben altijd jaloers geweest op mensen met bijna-doodervaringen (mits ze geheel herstelden): ik stelde me voor dat zij wisten wat écht belangrijk was en extra genoten van het leven. Toen ik anderhalf jaar geleden werd geschept door een auto probeerde ik daarna te monitoren of ik al hernieuwde waardering had voor het leven. Was dit de bijna-doodervaring waarop ik had gehoopt? Helaas: tegelijk met mijn been herstelde mijn normale staat van zijn. Er leek eigenlijk niks veranderd.

De kankerdiagnose leek een overtreffende trap van het ongeluk. „Na een burn-out en een aanrijding op me te hebben afgestuurd, hebben de goden nu gekozen voor de nucleaire optie”, zeg ik tegen mijn therapeut. We moeten lachen, maar ergens ben ik ook serieus. Dit is de ultieme kans om in het aangezicht van de dood een persoonlijke transformatie te ondergaan. Een transformatie naar een geduldige, liefdevolle vrouw, bijvoorbeeld. Dat is de hoop, die septembermiddag in de Javastraat.

Maar nee, ik ben niet milder geworden. Gelukkig maar. De liefde die ik voelde in die eerste weken, voor alles en iedereen inclusief irritante weggebruikers, wees op een soort onthechtheid, alsof ik al half was opgestegen richting het hiernamaals. Ach, kijk die aardbewoners eens stuntelen met inparkeren. Maar dat is niet hoe het normaal gesproken voelt om te leven. Er zijn vast boeddhisten die er anders over denken, maar zelf geloof ik dat ergernis hoort bij verbondenheid. Juist omdat je ergens om geeft, stoort het je als het anders gaat dan je wil.

Er is nog een bijkomend voordeel, bedenk ik. Een ergernis kan voelen als het ergste wat er is: ze schuift als een zonsverduistering voor al het andere. Kanker loert in de verte, en dichterbij, minder dodelijk maar veel acuter, zijn de andere weggebruikers. Zij houden mij vast in het nu.


Source: NRC — This article was automatically imported from the source. Read full article at original source →

NR
Originally published by NRC nrc.nl
Visit original article

admin

Leave a Comment