Skip to content

Station Groningen ingrijpend verbouwd: het laatste huzarenstukje van gelauwerd architect Koen van Velsen (74)

World
Station Groningen ingrijpend verbouwd: het laatste huzarenstukje van gelauwerd architect Koen van Velsen (74)

Toen ze de catalogus met stationsgebouwen doorbladerden, keken de Groningers van de negentiende eeuw een beetje scheef. Die sobere halletjes, die pasten toch niet bij dé hoofdstad van het noorden? Ze overtuigden de Staatsspoorwegen en er kwam een stationsgebouw met grandeur in neostijlen. De stad kreeg hiermee de gepaste „grootsteedschen” entree, aldus Nieuwsblad van het Noorden destijds. De waardering voor het station is gebleven, want in 2019 werd het door reizigers uitgeroepen tot het mooiste station van het land.

Maar: verschillende ruimtelijke ingrepen verdrukten de trotse stationshal steeds verder. Het Stadsbalkon uit 2007 was daarin de ontsierende sluitsteen, vonden velen. Dit verhoogde plein met fietsenstalling ontnam het zicht op het station – maar niet lang meer: nog deze zomer wordt het verfoeide Stadsbalkon gesloopt. Nog een jammerlijk gevolg: om bij de perrons te komen, liepen reizigers niet langer door het weelderige stationsgebouw, maar eromhéén.

Ook die zonde wordt nu teruggedraaid. Voor de vernieuwing nam architect Koen van Velsen het monumentale station namelijk als uitgangspunt. Straks staat dit weer centraal op de routes. „We hebben het prachtige gebouw van Isaac Gosschalk zorgvuldig bestudeerd, de materialen, de kleuren, de repeterende vormen. Ik wilde geen contrast maken, maar juist een ontwerp in het verlengde van wat ik aantrof”, vertelt Van Velsen in de bouwkeet naast het station.

Architect Koen van Velsen in 2017.

Het typeert de architect, die 30 juni na een glansrijke carrière van ruim vijftig jaar op 74-jarige leeftijd zijn bureau sloot. De aannemerszoon uit Hilversum begon met het ontwerpen en maken van meubels, nadat hij even bij een architectenbureau had gewerkt. „Gaandeweg verloren architecten hun eerste idee uit het oog. Daar werd ik heel ongelukkig van. Toen ik zelfstandig ging werken, nam ik me voor mijn idee altijd zorgvuldig te bewaken – van ontwikkeling tot uitvoering.”

Zijn eerste opdracht was een keuken, toen kwam een kapperszaak en een discotheek. Terwijl hij zijn opleiding volgde aan de Academie van Bouwkunst, werd hij door de toenmalige rijksbouwmeester ontdekt en kreeg de opdracht het Legermuseum in Delft te transformeren. Met de bibliotheek in Zeewolde brak hij door. Hij was Spoorbouwmeester (2009-2015) en interim-Rijksbouwmeester (2015). Maar hij wilde vooral blijven ontwerpen. Het bureau hield hij klein, het aantal opdrachten behapbaar. „Ik wilde geen bedrijf worden, maar architectuur maken.”

Van Velsen wordt gezien als een architect ‘zonder stijl’, die nooit bij een stroming of school heeft gepast. Ongrijpbaar voor architectuurhistorici. Of „opvallend onopvallend”, zoals hij zijn stadskantoor in Terneuzen typeerde, dat Jaap Bakema’s brutalistische stadhuis ‘aankijkt’. Ooit stond zijn werk in een boek over SuperDutch, maar „daarin kon ik me nooit herkennen”. Van Velsen werkt vanuit de specifieke opdracht en locatie, en sluit het uiterlijk daarop aan.

Toch is zijn architectuur onderscheidend. Zijn gebouwen zijn in de basis eenvoudig van opzet. Met veel daglicht, fijnzinnig materiaalgebruik, kleurgebruik en oog voor detail zijn het plekken waaraan je steeds meer gehecht raakt. Ook brengt Van Velsen graag meerdere functies samen in één architectonisch gebaar, zoals bij het Huis op Zuid en de gigantische Multiplexbioscoop in Rotterdam.

De nieuwste ‘Van Velsen’ staat nu in Groningen. Het nieuwe station vloeit voort uit het oude: „De gele en rode bakstenen in de monumentale hal waren inspiratie voor ons kleurenpalet.” Vanuit de hal kom je in een overgangsgebied waar oud en nieuw elkaar ontmoeten. De rode ronde perronoverkappingen en de dondergroene traverse met het seinhuis staan strak in de verf. In de nieuwe spoorkappen, die begroeid zijn met vrolijke grassen, schieten bomen door ronde uitsparingen.. Wie hier rechtdoor gaat komt in een ondergrondse passage naar de perrons en de busterminal. „De afdaling naar de passage volgt de perfecte symmetrie van het oude gebouw, met van binnen naar buiten: lift-trappen-roltrappen. Dat zal de meeste mensen niet opvallen, maar intuïtief klopt het. Laatst zei iemand tegen me: „O, heb jij dat gemaakt?!” Dat vind ik het grootste compliment. Het is niet mijn gebouw, maar iets voor hier.”

Het nieuwe station in Groningen vloeit voort uit het oude.

Sla je rechts- of linksaf, dan kom je bij het half overkapte stationsplein met boompjes, koffietentjes en andere horeca. Reizigers kunnen zo kiezen: of snel door naar de trein of bus, of een terrasje pakken. „Het station wordt ook een pleisterplaats, een plek waar de stad door het gebouw loopt.”

Dat merk je zelfs in de ondergrondse passage, door haar breedte meer een plein. De betonnen zandgele constructie laat via ritmische openingen veel daglicht toe. Door vides zijn er verrassende doorkijkjes naar de fietstunnel en fietsenkelder, waaraan nog hard gewerkt wordt. „Hier zie je de fietsers straks langs zoeven. Een goed ontwerp is helder, maar het is fijn als er ook iets te ontdekken valt.” De muren van de passage bestaan uit warmgele bakstenen. Kunstenaar Gabriel Lester wipte sommige steentjes iets uit de muur. Door het hele station drijven daardoor abstracte wolkenpatronen binnen. Buiten is binnen. 

De ondergrondse passage voelt meer als een plein.

Aan het einde van de passage, waar nu nog metershoge damwanden staan, opent straks via een lichte helling de route naar het zuiden. Deze nieuwe arcade-entree geeft het station „niet één, maar twee voorkanten”. Het station slaat een brug waarmee de in aanbouw zijnde wijk Spoorkwartier integraal deel van de stad wordt. „Voetgangers, fietsen, taxi’s, bussen, treinen: het komt op één punt samen.”

Terugblikkend op zijn lange loopbaan vertelt Van Velsen over het prijswinnende revalidatiecentrum Groot Klimmendaal, een kolossaal, glasrijk gebouw middenin de Arnhemse bossen, opgeleverd in 2010. De zorgmedewerkers kwamen daarvoor op bezoek bij de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam, toen zijn meest recente project. „Ook al was dat een heel ander type gebouw, aan de hand van de ruimte konden we met elkaar in gesprek. Beleving is een belangrijke functionaliteit van een gebouw. Die moet je nooit vergeten.”

Architecten moeten tegenwoordig lenigheid betrachten: een berg regelgeving, grote financiële druk, en meer adviseurs en partijen aan tafel. Van Velsen wil jonge architecten nog wel iets meegeven: „Doe niet alles, en doe wat je doet goed. Stop energie in het creëren van draagvlak. Zie voortschrijdend inzicht van opdrachtgevers of bezuinigingen als een uitdaging om een ontwerp béter te maken. Ontsnappen aan de regels, dat is ons vak.”

Het bureau stopt, maar Van Velsen is te zeer vergroeid met het vak om nu aan het strand te gaan liggen. „Eerst maak ik lopende projecten af. Daarna ga ik één ding doen. Misschien ga ik een stoel ontwerpen. Of een gebouwtje. Maar in ieder geval moet het één ding zijn, waar ik met al mijn aandacht aan kan werken. Zodat het ontwerp nóg beter wordt.”  


Source: NRC — This article was automatically imported from the source. Read full article at original source →

NR
Originally published by NRC nrc.nl
Visit original article

admin

Leave a Comment